Bedrijfsopvolgingsfaciliteit Successiewet is niet discriminerend

De bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet is geen verboden vorm van ongelijke behandeling. Dat is het oordeel van de Hoge Raad in een aantal proefprocedures. Aanleiding daartoe was een uitspraak van de rechtbank Breda uit 2012. Deze uitspraak heeft
een stroom aan bezwaarschriften tot gevolg gehad.

De bedrijfsopvolgingsfaciliteit is bedoeld om liquiditeitsproblemen bij ondernemingen in verband met de heffing van schenk- of erfbelasting te voorkomen. Dat wordt bereikt door het ondernemingsvermogen, dat geschonken of erfrechtelijk verkregen wordt, gedeeltelijk
vrij te stellen van belasting. Voorwaarde is dat de onderneming door de verkrijgers wordt voortgezet. De faciliteit is een aantal keer aangepast, waardoor een steeds groter deel van het ondernemingsvermogen is vrijgesteld. Momenteel bedraagt de vrijstelling
100% tot een waarde van ruim € 1 miljoen en 83% van de waarde boven dat bedrag.
Op fiscaal gebied heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid om te bepalen of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en om te bepalen of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om gelijke gevallen toch verschillend te regelen.

Verkrijgingen krachtens erfrecht of door schenking worden belast naar de waarde daarvan in het economische verkeer. Het maakt daarbij niet uit of het gaat om ondernemingsvermogen of om andere vermogensbestanddelen. De bedrijfsopvolgingsfaciliteit betekent
dus een verschil in behandeling. Voor dat verschil is een rechtvaardiging vereist. Volgens de Hoge Raad is de onbelemmerde voortzetting van de activiteiten van familiebedrijven binnen de kring van de ondernemer en de bijdrage die daardoor geleverd kan worden
aan behoud en groei van de werkgelegenheid voldoende rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid in behandeling.