Karakter van gecombineerde zakelijke en privé ritten

Een procedure over de bijtelling voor privégebruik van een auto van de zaak spitste zich toe op het karakter van een aantal ritten. De betreffende werknemer combineerde een bezoek aan een klant in Oostenrijk met een wintersportvakantie met zijn gezin.
Het hof zag zich geplaatst voor de vraag of bij deze ritten het privé of het zakelijk karakter doorslaggevend was. Aannemelijk was dat het bezoek aan de klant een van de doelen van de reis was en dat de werknemer de klant ook rond deze tijd zou hebben bezocht
als hij geen vakantie in Oostenrijk zou hebben doorgebracht. Evenzeer aannemelijk was dat de werknemer met zijn gezin naar Oostenrijk was gereden om daar vakantie te houden. Ook als de werknemer geen bezoek aan de klant zou hebben gebracht, was aannemelijk
dat hij met zijn gezin rond deze tijd vakantie zou hebben gehouden. Noch het zakelijke noch het privé karakter van deze ritten was doorslaggevend. Volgens het hof is een rit in zo’n geval alleen zakelijk als iemand die qua inkomen, vermogen en gezin vergelijkbaar
is met de werknemer, maar die niet een dergelijke dienstbetrekking vervult, de rit niet of niet in deze omvang zou hebben gemaakt. Omdat ter zitting werd opgemerkt dat tegenwoordig veel mensen voor een wintersportvakantie naar Oostenrijk rijden, merkte het
hof de reis naar Oostenrijk en terug aan als privégebruik.